Het is belangrijk dat eventuele afwijkingen die op mastitis duiden, in een vroeg stadium worden gevonden.
Het is belangrijk dat eventuele afwijkingen die op mastitis duiden, in een vroeg stadium worden gevonden. Twan Wiermans

Onderzoek naar snelle detectie van mastitis bij geiten

Sectoren - Veehouderij - Geiten

Een geit met mastitis kan zoveel bacteriën uitscheiden dat het kiemgetal van de complete tankmelk flink stijgt. Het lastige is dat zo’n dier lang niet altijd opvalt. Onderzoekers willen probleemgeiten daarom tijdens het melken eerder detecteren, het liefst al voordat hun melk in de tank belandt.

Dat vertelt geitenonderzoeker Yvette de Geus van de Universiteit Utrecht tijdens de bijeenkomst Melken voor Morgen Geitenhouderij XXL in Arnhem. Volgens haar ligt het kiemgetal op veel melkgeitenbedrijven doorgaans tussen de 30.000 en 50.000. Maar een geit die zeer grote hoeveelheden bacteriën uitscheidt, kan daar heel snel verandering brengen.

Vooral stafylokokken kunnen een rol spelen. Wanneer een geit een infectie niet weet te overwinnen, kunnen de bacteriën in de uier aanwezig blijven en zich sterk vermenigvuldigen. ‘Je krijgt dan van die hoge uitscheiders’, licht de onderzoeker toe. De uitdaging is om zo’n geit op tijd te vinden. In een vroeg stadium hoeft aan het dier weinig te zien te zijn; de melk kan er normaal uitzien en ook de uier hoeft nog geen duidelijke afwijkingen te vertonen.

Juist de milde vormen van mastitis willen we graag eerder kunnen ontdekken

Yvette de Geus, onderzoeker aan de Universiteit Utrecht

Bij een milde vorm van klinische mastitis is alleen de melk afwijkend, bijvoorbeeld door vlokken of dikkere grijze, gelige of meer doorzichtige melk. In een volgende categorie zijn afwijkingen aan zowel melk als uier zichtbaar. Bij de ernstigste gevallen wordt ook de geit zelf ziek en kan uiteindelijk het bekende beeld van blauwuier ontstaan. ‘Juist die milde mastitis willen we eerder kunnen ontdekken’, stelt De Geus.

Bij mildere gevallen komen vaker niet-aureus-stafylokokken voor, waaronder Staphylococcus simulans en Staphylococcus lugdunensis. Bij ernstigere gevallen speelt Staphylococcus aureus een belangrijkere rol. Deze bacterie wordt ook in verband gebracht met ernstige mastitis en blauwuier.

Een geïnfecteerde geit kan bovendien een bron zijn voor verspreiding naar andere dieren. Die overdracht van bacteriën kan plaatsvinden tijdens het melken, terwijl stafylokokken ook elders op de geit en in haar omgeving voorkomen. ‘Je kunt het bedrijf niet steriel maken’, stelt De Geus. Daarom blijven ook een goede weerstand en hygiëne belangrijk.

Tankkiemgetal te hoog

Goede voeding, voldoende mineralen, goed drinkwater, een goed stalklimaat, een droge pot en het voorkomen van overbezetting dragen eveneens bij. Nu wordt een probleemgeit vaak pas gezocht wanneer het tankkiemgetal al te hoog is. Sommige bedrijven stralen dan grote aantallen dieren voor, maar gemiddeld bestaan de koppels uit zo’n 1.400 geiten en kost dit voorstralen veel arbeid.

De melkvolgorde kan ook helpen om verspreiding te beperken. ‘Het is altijd een goed idee om in groepen te melken, en om dan te beginnen met de jonge, schone dieren’, geeft De Geus aan. ‘Jonge geiten zijn niet gegarandeerd vrij van stafylokokken, maar hebben doorgaans minder infecties doorgemaakt dan oudere dieren.’

Bij een eventuele detectie van mastitis kan extra aandacht uitgaan naar geiten na het aflammeren, omdat deze groepen extra gevoelig zijn voor uierontsteking. Ook dieren met een afwijkend of onkante uier verdienen extra controle.

Tekst gaat verder onder kader.

‘Onkante uiers leiden tot bijna 18.000 euro schade per bedrijf’
Onkante uiers bij melkgeiten zijn meer dan een cosmetisch probleem. Als de ene uierhelft van een melkgeit groter, zwaarder of anders van vorm is dan de andere, leidt dat tot een lagere melkproductie, hogere afvoer en aanzienlijke economische schade. Dat blijkt uit een praktijkanalyse van dierenarts Niels Groot Nibbelink van vaccinproducent Hipra. Hij presenteerde de resultaten tijdens de manifestatie Melken voor Morgen Geitenhouderij XXL.

Om de gevolgen van onkantheid beter in beeld te krijgen, analyseerde Hipra samen met onderzoekers gegevens van een praktijkbedrijf met circa 3.200 melkgeiten. Op het bedrijf had 24 procent van de dieren onkantheid, waarvan 9 procent ernstig. Geiten met een onkante uier produceerden gemiddeld minder melk dan dieren met een symmetrische uier. In het eerste productieve jaar bedroeg het verschil zelfs 151 liter melk per geit. Over de gehele populatie lag het verschil rond de 100 liter.

Een jaar na de inventarisatie was de afvoer in de groep met onkante uiers ongeveer 40 procent hoger dan bij geiten met een symmetrische uier. Opgeteld kwam de schade volgens Groot Nibbelink zodoende uit op bijna 18.000 euro per jaar.

Techniek moet uiteindelijk een belangrijk deel van het zoekwerk overnemen, vertelt De Geus tijdens de bijeenkomst. De Universiteit Utrecht start hiervoor met een praktijkonderzoek op vijftien geitenbedrijven. Op deze bedrijven wordt onderzocht of afwijkende melk tijdens het melken automatisch kan worden herkend.

Door verschillende kenmerken te combineren, moet een sensor waarschuwen wanneer de melk van een individuele geit afwijkt. Meetwaarden moeten daarbij worden gecorrigeerd voor bijvoorbeeld het lactatiestadium. De Geus: ‘Zo’n waarschuwing is echter geen diagnose en het betekent dus niet automatisch dat een geit moet worden afgevoerd. Het systeem moet vooral verdachte dieren aanwijzen voor nader onderzoek.’

Tankmelktest

Naast het aanwijzen van individuele probleemgeiten, wordt gewerkt aan een tankmelktest die het bacterieprofiel van de melk zichtbaar moet maken. Zo moet sneller duidelijk worden of bacteriën afkomstig zijn van geiten of dat bijvoorbeeld de melkinstallatie een rol speelt. Hierop kan de geitenhouder vervolgens gerichter actie ondernemen. Ook kan de ondernemer zien of genomen hygiënemaatregelen effect hebben gehad.

Volgens De Geus komt de aandacht voor mastitis voort uit eerder onderzoek naar de oorzaken van verhoogde kiemgetallen. Uierontstekingen bleken daarbij een belangrijkere bron dan vooraf werd verwacht. Betere detectie kan daardoor meer opleveren dan alleen een lager tankkiemgetal.

De Geus: ‘Een probleemgeit vroeg vinden betekent ook dat een mogelijke infectiebron eerder kan worden aangepakt. En dat zorgt ervoor dat uiteindelijk ook de uiergezondheid kan verbeteren.’

Omgeving blijkt belangrijke besmettingsbron bij voorkomen S. aureus
De omgeving van melkgeiten speelt een rol bij een besmetting met de dierziekte Staphylococcus aureus (S. aureus). Dat stelt promovenda Maxime Pals aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Zij onderzocht samen met studenten op 29 melkgeitenbedrijven waar verschillende S. aureus-stammen voorkomen. Daarvoor werden melkmonsters genomen en monsters verzameld uit de neuzen en van de spenen van geiten, uit stof, van de handen van melkers en van tepelvoeringen.

De onderzoekers gingen na welke S. aureus-stammen op de verschillende plekken voorkwamen. ‘De gevonden S. aureus-stammen clusteren voornamelijk per bedrijf. De stammen die we op de lichaamsdelen van de geiten en in hun omgeving vinden, zien we met regelmaat ook terug in de melkmonsters’, geeft Pals aan.

De resultaten wijzen er volgens de promovenda op dat verspreiding van S. aureus niet alleen tijdens het melken plaatsvindt. Ook de omgeving van de geit kan een rol spelen bij de overdracht van de bacterie. Verbeterde hygiëne en mogelijk een betere bescherming van de spenen kunnen helpen om transmissieroutes te doorbreken, aldus Pals.